“Wat zou die gast daar aan het doen zijn?” vroeg Unlucky Frank.
“Wel vriend,” antwoordde Eddie de Ridder op het Zwarte Paard, “er is een heel makkelijke manier om daar achter te komen. Kom mee, we vragen het gewoon.”
Ze naderden de man die op zijn knieën zat. Hij had een steen in zijn hand en kerfde er met een mes in.
“Wel vriend,” sprak Eddie de Ridder op het Zwarte Paard op gebiedende toon, “wie ben jij en wat ben je aan het doen?”
De man keek op, legde zijn steen en mes neer en stond recht.
“Dag edele heer,” zei de man, “ik ben Jan de Metser en ik ben hier de eerste steen aan het leggen voor de hoeve die we gaan zetten.”
Onze vrienden keken elkaar aan. Een metser die een hoeve zet, dat hadden ze wel door. Maar ze wisten nog niet wat hij in de steen aan het kerven was.
“Maar wat zit jij dan met dat mes in die steen te kerven,” vroeg Unlucky Frank, “of ga je me wijsmaken dat je in elke steen eerst moet zitten kerven?”
“Nee,” antwoordde de man lachend, “ik zet mijn naam in die eerste steen en de datum. Als er dan binnen een jaar of duizend enkele archeologen deze steen vinden, dan gaan ze die bekijken en zich afvragen wat erop staat.”
“Dat kan ik wel begrijpen,” merkte Eddie de Ridder op het Zwarte Paard op terwijl hij de steen van naderbij bekeek, “je geschrift is ook echt wel onleesbaar. Dat gaat niemand ooit kunnen ontcijferen.”
“Natuurlijk moet ik het ze niet te gemakkelijk maken, edele heer. Ik zorg er gewoon voor dat ze wat te doen hebben. Goed gevonden, vind je niet?”
“Misschien wel.”
Onze vrienden moesten hier toch even diep over nadenken.
“Misschien wel,” ging Eddie de Ridder op het Zwarte Paard verder, “maar weet je waar ik ongelooflijk kwaad van kan worden? Wat ik zo verschrikkelijk irritant vind dat ik er altijd weer heel agressief van word?”
Jan de Metser kreeg het warm en koud tegelijk. Hij voelde dat hij iets verkeerd had gezegd en keek verschrikt in het rond of er iemand in de buurt was om hem te helpen.
“Wat ik zo haat,” bulderde Eddie de Ridder op het Zwarte Paard , “is dat er iemand woorden kent en kan uitspreken waar ik nog nooit van gehoord heb. Die argedinges waar je het over had bijvoorbeeld.”
Het gebeurde daarna allemaal in één vloeiende beweging. Eddie de Ridder op het Zwarte Paard trok zijn zwaard en hakte de beide armen van Jan de Metser af.
“Zo, jij zal toch al niks meer gaan schrijven voor die pummels van wie ik de naam niet kan uitspreken.”
Onze vrienden bestegen hun paarden en trokken verder. Toen ze enkele honderden meters verder waren, keek Unlucky Frank even achterom.
“Heer, ze is er weer. Die witte jonkvrouwe daar achter ons. Rijden we terug?”
“Nee, Franky. Dat ligt nu achter ons, wij leven niet in het verleden. We moeten verder, nieuwe horizonten tegemoet.”
Met deze wijze woorden reden Eddie de Ridder op het Zwarte Paard en Unlucky Frank verder…
Jan de Metser
20 september 2008 · 4 Reacties
Categorieën: Verhaaltjes
getagged: Eddie, Unlucky Frank, verhaaltje